Novalis

Novalis (1772 – 1801) was een Duitse dichter.
In Lehrlinge zu Sais laat hij een persoon ervaringen beschrijven die veel lijken op het waarnemen van levenskrachten en vormkrachten. Novalis is een bron van inspiratie voor het onderzoek.

<<(…) er ontspon zich een levendig gesprek.

“Op alles wat de mens onder handen neemt moet hij zijn ongedeelde aandacht of zijn ik richten”, zei uiteindelijk de ene, “en als hij dit heeft gedaan, dan ontstaan in hem op een wonderlijke wijze al snel gedachten of een nieuwe soort waarnemingen, die niets anders lijken te zijn dan gevoelige bewegingen van een kleur afgevende of trillende pen of wonderlijk samentrekkende elastische vloeistoffen die figuren vormen. Ze breiden zich uit met een levendige beweeglijkheid naar alle kanten vanuit de plek waarop hij zijn aandacht concentreerde en nemen zijn ik daarin mee. Hij kan dit spel vaak direct weer ongedaan maken, als hij zijn aandacht weer verdeelt of onwillekeurig laat verstrooien, want ze lijken niets anders te zijn dan stralen en werkingen, die door dat ik naar alle kanten worden opgewekt in dat elastische medium, of ze lijken brekingen in dat medium, of het lijkt erop dat in deze zee een uitzonderlijk golvenspel wordt gespeeld met die gerichte aandacht. Het is hoogst merkwaardig dat de mens pas tijdens dit spel opmerkt wat voor hem kenmerkend is: zijn specifieke vrijheid, en dat het hem toeschijnt alsof hij wakker wordt uit een diepe slaap, alsof hij pas nu voor het eerst thuis raakt in de wereld en dat zijn innerlijke wereld pas nu door daglicht wordt beschenen. Hij denkt het tot het hoogst mogelijke gebracht te hebben als hij, zonder dit spel te verstoren, gelijktijdig de gewone dingen met de zintuigen kan waarnemen en beleven en gelijktijdig kan denken. Daardoor verhelderen beide waarnemingen: de buitenwereld wordt doorzichtig en de binnenwereld wordt veelvoudig en vol betekenis; en zo bevindt de mens zich in een diepgevoelde, levendige toestand tussen twee werelden, in de meest volmaakte vrijheid en met het meest vreugdevolle gevoel van macht. De mens probeert natuurlijk deze toestand vast te houden en uit te breiden over het geheel van al zijn indrukken; onvermoeibaar blijft hij deze werelden verbinden en speurt hij naar hun wetmatigheden en naar hun sympathieën en antipathieën. Het toppunt van alles wat ons raakt, zegt men, is de natuur en zo heeft de natuur een directe verbinding met de delen van ons lichaam, die wij zintuigen noemen. Onbekende en geheimzinnige verbindingen in ons lichaam wekken het vermoeden van onbekende en geheimzinnige verhoudingen in de natuur. Zo is de natuur die wonderbare gemeenschap, waarin ons lichaam ons binnen voert en die wij leren kennen door de manier waarop dat lichaam is ingericht en vaardig is. Het is de vraag of we de natuur der naturen kunnen leren begrijpen via deze speciale natuur en in hoeverre onze gedachten en de intensiteit van onze aandacht daardoor worden bepaald of dat ze die juist bepalen en daardoor van de natuur losrukken en misschien haar tedere meegaandheid bederven. Het is duidelijk dat we eerst de inwendige relaties en inrichting van ons lichaam moeten onderzoeken, voordat we deze vragen kunnen beantwoorden en kunnen hopen door te dringen in de natuur der dingen. Het is echter ook denkbaar dat we ons allereerst grondig moeten oefenen in het denken, voordat we ons kunnen richten op de inwendige samenhangen van ons lichaam en zijn verstand kunnen gebruiken voor het begrijpen van de natuur. Het zou vanzelfsprekend niet meer dan natuurlijk zijn om eerst alle mogelijke bewegingen van het denken voort te brengen en met deze zaak in klaarheid te komen en een soepelheid te verwerven in het overgaan van het ene naar het andere en in het met elkaar verbinden en weer uit elkaar nemen van het ene en het andere. Om dat te bereiken moet men alle indrukken oplettend beschouwen, het gedachtenspel dat daardoor ontstaat net zo precies nagaan en, als daarbij nieuwe gedachten ontstaan, ook die weer bezien om zo uiteindelijk hun mechanisme te ervaren. Door veelvuldige herhaling kan men dan de bewegingen, die vast verbonden blijken te zijn met elke indruk, onderscheiden van de andere en onthouden. Heeft men dan als een begin enkele tekens van de natuur kunnen oplossen, dan zou het ontcijferen steeds makkelijker kunnen verlopen en dan zou de macht over het ontstaan van gedachten en bewegingen de waarnemer in staat stellen om natuurgedachten voort te brengen ook zonder dat er een daadwerkelijke indruk optreedt. Dan kan hij ook natuurcomposities ontwerpen en dan zou het einddoel zijn bereikt.” >>

(Uit: Novalis, Die Lehrlinge zu Sais, 1799, vertaling Nico Landsman)